Dikke en iets minder dikke biografieën (Volkskrant, 12 april 2014)

Door: Sander van Walsum

Voorwaarde voor een mooie biografie is dat de auteur gedurende vele jaren plezier beleeft aan de nabijheid van de betrokkene. Hij moet geen hagiografie willen schrijven, maar evenmin een afrekening. Hij moet afstand bewaren tot het object van de biografie zoals de correspondent dat moet doen tegenover het land waarnaar hij is uitgezonden.

Zoals de correspondent weleens het belang uit het oog kan verliezen van een nieuwsfeit voor de lezers thuis, kan de biograaf in de veronderstelling komen te verkeren dat elke brief en elke aantekening van zijn hoofdpersoon relevant is voor het nageslacht. De fascinatie voor de mens wiens leven hij op zicht heeft, is de opmaat voor het aantal pagina’s dat hem toekomt. En in de regel groeit de fascinatie naarmate de biograaf dieper in het wezen van de hoofdpersoon weet door te dringen. Vrijwel elke biografie zal dus omvangrijker zijn dan de auteur zich bij aanvang van de werkzaamheden heeft voorgenomen.

Aan de publicatie van elke vuistdikke biografie is een worsteling vooraf gegaan tussen de auteur die de maat uit het oog verliest en de redacteur die tot matiging maant. De laatste moet nog strenger zijn dan de redacteur van een romanschrijver. De omvang van de vijf titels die voor de Biografieprijs zijn genomineerd wekt echter de vrees dat niet alle redacteuren voldoende weerwerk kunnen bieden aan de wensen van de auteurs. Natuurlijk: de optimale dikte van een boek is niet te bepalen, en het bewogen leven van Willem Bilderdijk rechtvaardigt meer bladzijden dan de kortstondige reuring die feministe avant la lettre Mina Kruseman heeft veroorzaakt. Maar in veel biografieën wekken de levensschetsen van de voorouders van de hoofdpersoon een te obligate indruk, krijgt de lezer te vaak een variatie op een welbekend levensthema opgedist en verliest de auteur zich te dikwijls in details.

Een dikke biografie is niet per definitie een passender monument voor een hoofdpersoon dan een meer handzame versie. Zo had Sebastian Haffner genoeg aan 200 pagina’s om het leven van Winston Churchill te schetsen. De lezer hoefde zich daarmee niet bekocht te voelen. En de grote Churchill evenmin.

De Biografieprijs

De Biografieprijs is onderdeel van de Erik Hazelhoff Roelfzema Prijs. Hij wordt eens per twee jaar toegekend aan de beste Nederlandstalige biografie. De winnaar ontvangt een geldbedrag van 15 duizend euro. In 2012 werd de Biografieprijs toegekend aan Eva Rover voor de biografie van Helena Kröller-Müller. Jolande Withuis won in 2010 de eerste Biografieprijs met haar boek over het leven van verzetsman Pim Boellaard. De Biografieprijs, die beschikbaar wordt gesteld door de Stichting Erik Hazelhoff Roelzema Prijs, is een eerbetoon aan ‘soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff Roelzema. (1917-2007).

DE GENOMINEERDE BOEKEN

Jos Perry, Revolte is leven, biografie van Theun de Vries (1907-2005) (393 pagina’s).

Mensen als schrijver/dichter Theun de Vries (1907-2005) worden niet meer gemaakt. Soms betreur je dat, bij het lezen van zijn voorbeeldige biografie door Jos Perry (die in deze krant door Aleid Truijens met vier sterren werd beloond). Want De Vries was een bewust levend mens met een niet-modieuze betrokkenheid bij de lotgevallen van de mensheid, een gedreven amateur-historicus en een uitzonderlijk productieve schrijver. In zijn lange leven schreef hij, afgezien van essays, pamfletten en hoorspelen, zo’n 150 dichtbundels en romans – veelal in een grijs verleden gesitueerd. Hij was, in de kenschets van zijn biograaf, ‘de Heintje Davids van de literatuur’, die steeds meende te zijn uitverteld – om vervolgens toch weer een kloeke vertelling in enigszins archaïsch Nederlands af te scheiden (waarin de oplettende lezer woorden als ‘mansbloei’ – erectie – konden aantreffen).

Maar als de communist die De Vries ook was – zeker niet in de laatste plaats – weet hij de lezer te verbijsteren. Zijn keuze voor het communisme, als het meest strijdbare antwoord op het nationaal-socialisme, is nog invoelbaar. Net als zijn neiging om het ‘reëel bestand socialisme’ van de Sovjet Unie te idealiseren. Maar vervolgens is die keuze bepalend voor alle facetten van zijn leven. Hij aanbidt Stalin – tot ver na diens dood – als de voorganger van de zegenrijke wereldrevolutie. Drie heldendichten draagt hij maar liefs aan zijn idool op. Vriendschappen en boeken van collega-schrijvers worden aan ideologische criteria getoetst. Het historisch materialisme is het raster waarop vrijwel zijn hele oeuvre tot stand komt. Bij de talrijke partijtwisten binnen de CPN behoort hij steevast tot de haviken. Pas in de jaren zeventig breekt hij met de CPN. Maar een anti-communist zou hij nooit worden. Dat De Vries’ conduitestaat als schrijver niet onherstelbaar beschadigd is geraakt door zijn ideologische verdwazing, is te danken aan het feit dat hij leven en werkte in Nederland – dat hij overigens hartstochtelijk verketterde – en niet in een volksrepubliek, waar hij ongetwijfeld door de momenklatoera zou zijn opgeslokt.

Jos Perry beschrijft de lotgevallen van De Vries met een gepaste mengeling van verbazing, bewondering en mededogen. Dat mededogen geldt dan vooral de man die door de tijdsomstandigheden werd gedwongen tot keuzes waarvoor hedendaagse lezers zich niet meer gesteld zien.

Annet Mooij, Branie, Het leven van Mina Kruseman (1839-1922)(296 pagina’s).

Dat het mogelijk is een intrigerende biografie te schrijven van een relatief onbekende figuur liet Jolande Withuis zien metWeest manlijk, zijt sterk, de biografie van verzetsman Pim Boellaard – in 2010 bekroond met de Biografieprijs. Annet Mooij had het met actrice/ schrijfster/ voordrachtskunstenares/ feministe/pacifiste Mina Kruseman (1839-1922) een stuk moeilijker – haar lange tris hoedanigheden ten spijt.

Van het lange leven van Kruseman is slechts een aantal jaren goed gedocumenteerd. Dat waren de jaren waarin Kruseman met tegendraadse opvattingen over de man/vrouw verhoudingen en het toneel in Nederland enige ophef veroorzaakte. Van de tijd die Kruseman buiten Nederland – vooral in voormalig Nederlands Indië en Frankrijk – doorbracht, is beduidend minder bekend. Het grootste probleem waarmee Mooij echter moet hebben gekampt, is dat Kruseman wel een kleurrijke maar geen boeiende figuur was. Ze was matig getalenteerd in vrijwel alle kunstvormen waarin ze meende uit te blinken. Karakterologisch leek ze geen sterke ontwikkeling door te maken. Kruseman was dus een nogal eendimensionale persoonlijkheid. Zelfs de knapste biograaf had zich aan die beperking niet kunnen ontworstelen. De worsteling van Mooij is op vrijwel elke pagina voelbaar.

Kruseman was behept met een sterke vrijheidsdrang. Daarmee kwam ze als vrouw in botsing met de conventies van haar tijd – zeker in het benauwde Nederland. Voor haar waren de maatschappelijke instituties – het huwelijk in het bijzonder – aanslagen op het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw. Om daaraan te ontkomen, moesten vrouwen in hun eigen onderhoud kunnen voorzien – voorwaar een progressieve opvatting in de jaren zeventig van de negentiende eeuw. Kruseman zelf voorzag zich van een redelijke levensstandaard als ‘artiste’ en publiciste.

Het publiek was haar niet eens zo slecht gezind, maar bij de critici oogstte ze maar hoogst zelden bijval. Met de onvoldragenheid van haar eigen prestaties bracht zij dat niet in verband. Wel met samenzweringen waarvan zij steevast het slechtoffer meende te zijn. Nadat zij in aanvaring was gekomen met Multatuli (Eduard Douwes Dekker) figureerde die lange tijd in het centrum van haar samenzweringstheorieën. In een poging zich op haar vroegere protégé te wreken, publiceerde ze alle brieven die hij haar voor hun breuk had geschreven. Daarmee had ze het in Nederland – het land dat ze even hartstochtelijk haatte als iedereen die er woonde – definitief verbruid. Vermakelijk zijn deze verwikkelingen zeker. Maar zij kunnen geen 296 pagina’s tellende biografie dragen van een vrouw die meer door rancune dan door positieve idealen leek te zijn gedreven.

Daniela Hooghiemstra, De geest in dit huis is liefderijk, Het leven en De Werkplaats van Kees Boeke (1884-1966) (417 pagina’s).

De treffendste kenschets van onderwijsvernieuwer Kees Boeke (1884-1966) is afkomstig van wijlen prins Bernhard. Die omschreef hem als ‘een vriendelijke, zachtzinnige anarchist met de goedige blauwe ogen van een idealistische dromer’. Het was zeker niet vleiend bedoeld. ‘Rechtlijnigheid’ ontbrak in deze bondige karakterschets. En rechtlijnig was Kees Boeke bij uitstek. In een mate die de lezer van zijn door Daniela Hooghiemstra geschreven biografie, De geest in dit huis is liefderijk, geregeld de adem beneemt.

Zijn hele leven stelde Kees Boeke ten dienst aan de verwezenlijking van een nogal wijds ideaal: een mondiale samenleving van mensen die hun talenten in vrijheid – niet gehinderd door rivaliteit, hebzucht en sociale achterstelling – kunnen ontplooien. Als iedere mens, geleid door God, in deze geest het goede voorbeeld gaf, zou uiteindelijk de hele mensheid zichzelf kunnen verheffen. Daar kwamen de denkbeelden van Boeke ongeveer op neer. Het is opmerkelijk dat hij pas in zijn nadagen ontmoedigd raakte.

Tot die tijd gaf hij blijmoedig – wat iets anders is dan vrolijk – het goede voorbeeld. In Engeland, waar hij zijn vrouw Beatrice (Betty) Cadbury ontmoette, ageerde hij met een zo taaie volharding tegen de oorlog dat hij in 1918 als ongewenste vreemdeling het land werd uitgezet. In Nederland werd hij geregeld tot gevangenisstraffen veroordeeld – boetes betaalde hij uit principe niet – omdat hij zonder toestemming van de autoriteiten in de openbaarheid de vredesboodschap verkondigde.

Zijn huis in Bilthoven was een geliefkoosd doelwit van inbrekers omdat hij geen hang en sluirwerk wilde laten aanbrengen. Als inbrekers er niet met de inboedel vandoor gingen, deden ambtenaren dat wel, want Boeke betaalde geen belasting zolang hem niet kon worden verzekerd dat van zijn geld geen wapens worden gekocht. Hij stelde alles in het werk om het vermogen van zijn vrouw, een schatrijke telg uit een geslacht van chocoladeproducenten, aan de werknemers te vermaken. Hijzelf betrok op de Biltsche Duinen met zijn vrouw en zijn kinderen – hij had er zeven op dat moment – een paar oude legertenten. Tussen twee verblijven in de gevangenis door gaf hij koningin Wilhelmina, die hem in audiëntie ontving, had advies zijn voorbeeld te volgen. Niet als koningin uiteraard, want de monarchie was een ontkenning van de gelijkheid van mensen.

Kees Boeke zou als marginale zonderling zijn geëindigd als hij niet een school, de Werkplaats in Bilthoven, zou hebben gevestigd waar hij zijn – enigszins verwaterde – idealen in de praktijk zou hebben gebracht. En wel met zoveel succes dat koningin Juliana, die in hem een zielsverwant zag, haar drie oudste dochters bij De Werkplaats inschreef. Prinses Margriet liet zich naderhand vernietigend uit over haar jaren op De Werkplaats – een school ‘waar je absoluut niets leerde’ en waar ze ‘op paardendekens’ naar Bach had moeten luisteren. Uiteindelijk kwam Juliana ook tot dat inzicht: vanaf 1951 vervolgden de prinsessen hun schoolloopbaan op het Baarnsch Lyceum.

De lezer van de fascinerende biografie valt aan wisselende stemmingen ten prooi. Eerst is hij onthutst en geërgerd over de drammerigheid van Boeke en over het feit dat anderen – zijn kinderen met name – de harde gevolgen van zijn keuzes moeten ondervinden. Later breekt respect door voor zijn vasthoudendheid, en ten slotte mededogen met een oude man die terugzag op een leven dat hij – volgens zijn eigen strenge criteria – als mislukt beschouwde.

Rick Honings en Peter van Zonneveld, De gefnuikte arend, Het leven van Willem Bilderdijk (653 pagina’s).

Een enkele straat is nog naar dichter Willem Bilderdijk (1756-1831) vernoemd, maar de man en zijn omvangrijk oeuvre – dat zo’n 300 duizend versregels beslaat – is in de vergetelheid geraakt. Met het uitwissen van zijn nalatenschap maakten zijn tegenstanders – en die waren talrijk – al een aanvang bij zijn leven. Want Bilderdijk was een vreemdeling in zijn tijd. Waarbij moet worden aangetekend dat hij in élke tijd een vreemdeling zou zijn geweest. Hij ging nog gekleed in gegespte schoenen en een driekantige hoed toen die attributen al decennia in onbruik waren. Hij achtte de bedeling van arme medeburgers in strijd met hun voorbeschikking tot armoede. Hij voerde een volkomen achterhaalde strijd tegen de Verlichting en had zelfs bezwaren tegen de boekdrukkunst – een procédé dat in zijn tijd toch al vier eeuwen bestond. En hij ageerde gloedvol voor het vorstelijk absolutisme toen de constitutionele monarchie in de mode raakte. Een man die zo ver afstond van de communis opinio, die zo excentriek was en die zich – naast de dichtkunst – in zoveel academische disciplines had bekwaamd, zo’n man moest wel eenzaam zijn. Zelfs tussen mensen die opmerkelijk veel buitenissigheden van hem accepteerden.

Rick Honings en Peter van Zonneveld hebben het leven van Bilderdijk gewetensvol en eerlijk opgetekend. Eerlijk in die zin, dat ze hebben geprobeerd recht te doen aan zijn onmiskenbare brille en aan het feit dat hij niet alleen een misantroop en een hypochonder was, maar ook een liefhebbende man van zijn (tweede) vrouw en van zijn enig overgebleven zoon uit dat huwelijk. Maar een aangenaam mens, of zelfs maar een mens in wie de lezer zich kan verplaatsen, wordt Bilderdijk daardoor niet. Hij blijft, in de woorden van Johan Huizinga, ‘de Grote Ongenietbare’. Hij productief en zoekend hij ook is, hij maakt geen ontwikkeling door – noch in karakterologisch, noch in artistiek opzicht. Hij beklaagt zich over ‘de lucht’ in de steden waar hij woont. Over kou en hitte. Over de tochtigheid in zijn huizen. Over ‘woeligheid, geraas, geschreeuw en onrust’ op straat. Over de kwaliteit van het eten. Over de nabijheid van Duitsland – door hem als ‘Moffrica’ aangeduid. Over hogere machten die zijn benoeming tot hoogleraar saboteren. Over een nimmer eindigende geldnood. En, bovenal, over een lange reeks aandoeningen die hem slechts kwellen, maar die niet resulteren in zijn dood – het enige vergezicht waarnaar hij verlangt. Vermakelijk is het zeker. Maar niet 650 pagina’s lang.

Wim Hazeu, Marten Toonder (735 pagina’s).

Bij de beoordeling van kunstenaars doet de vraag of ze áárdig waren in de regel niet zoveel ter zake. Bij Marten Toonder (1912-2005) lijkt dat een beetje anders te liggen. Hoewel de schepper van – onder vele anderen – Heer Bommel en Tom Poes niet buitengewoon moralistisch was, manifesteerde hij zich in zijn oeuvre wel als een man met opvattingen: over de schaduwzijde van materiële vooruitgang (waarin hij in het midden van de vorige eeuw bepaald vooruitstrevend was), over de gewetenloosheid van het kapitalisme, en over het hele spectrum van menselijke ondeugden. Heer Bommel wordt aanhoudend beproefd: door zijn eigen ijdelheid en door de boosheid buiten de muren van slot Bommelstein. En uiteindelijk, aan het slot van elk verhaal, overwint het goede en is de wereld weer overzichtelijk. De schepper van Bommels universum móet wel een aardige man zijn geweest. Zeker als de immer zorgeloze Wammes Waggel, de meest goeiige van al zijn creaturen, hem het liefst was.

Marten Toonder heeft zijn imago altijd goed bewaakt. Het maakte deel van het commercieel succes dat het merk Marten Toonder vertegenwoordigt, ofschoon zakelijke transacties in zijn boeken meestal een uitgesproken dubieus karakter hebben en de schurk Bul Super als al dan niet gevallen zakenman wordt geïntroduceerd. Zijn driedelige autobiografie (1992-1996) vormde het sluitstuk van de vakkundige ‘Selbstgestaltung‘ van Marten Toonder als de enigszins naïeve – niet eens buitengewoon begaafde – tekenaar/schrijver die zijns ondanks heel aardig heeft verdiend. Hij bedreef meer zelfspot dan zelfkritiek. Toonder verfraaide zijn oorlogsverleden, verdoezelde zijn falen als vader en onthield de andere tekenaars/tekstschrijvers van Toonder Studio’s het krediet dat hun toekwam.

Voor biograaf Wim Hazeu viel, in het jargon van Toonder, dus wel wat uit te stuffen. En dat heeft hij gedaan. Niet met de wellust van een beeldenstormer of de wraakzucht van een verstoten zoon, maar zorgvuldig en weloverwogen. Daarbij verliest hij zich weleens in details – vooral met betrekking tot het wel en wee van de Toonder Studio’s – en laat hij meer figuranten passeren dan de gemiddelde lezer prettig zal vinden. Maar Marten Toonder kreeg het monument dat hij verdiende, en hij is er alleen maar wat menselijker op geworden.

 

(Noot: dit artikel is in verkorte versie gepubliceerd in de Volkskrant op 12 april 2014)